Objectafbakening

Voor de taxatie moeten de gren­zen van het te taxeren object bekend zijn. De Wet WOZ geeft regels voor de afba­kening van het te taxeren object. Dit object kan wor­den aange­duid als de onroe­rende zaak in het kader van de Wet WOZ of korter: WOZ-object.

Voor het bepalen van de grenzen van het object moet vooral geke­ken worden naar de eige­naar en de gebruiker. Het moet immers moge­lijk zijn om voor elk object een belang­heb­bende eigenaar en een belangheb­bende gebruiker aan te wijzen.

Verder is het van belang dat een WOZ-object ook een zelfstandig bruikbaar object is. Daarbij moet bijvoorbeeld gelet worden op de vraag of het object afsluitbaar is en of alle noodzakelijke voorzieningen aanwezig zijn (een woning moet bijvoor­beeld over eigen sanitair beschikken).

Er wordt gestreefd naar zo groot mogelijke WOZ-objecten. Dus wanneer twee objecten met dezelfde eigenaar en dezelfde gebruiker naar omstandigheden beoordeeld bij elkaar behoren (bijvoorbeeld een woning met een tuin en een garage) dan vormen ze één WOZ-object.

Een winkelier is eigenaar van een winkelpand en woont boven zijn winkel. Achter de winkel bevindt zich nog een magazijn met een uitgang naar een zijstraat van de winkelstraat. Dit gehele pand zal in het kader van de Wet WOZ worden gezien als één object. Op het moment dat de winkelier echter de afzonderlijke woning boven de winkel gaat verhuren, ontstaan er uit dat ene object twee objecten.