Veelgestelde vragen over de herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ
In het kort
Op 1 januari 2024 is de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm in werking getreden. Deze wet wijzigt de hoogte van de proceskostenvergoeding bij gegronde bezwaar- en beroepsprocedures tegen WOZ-waarden. Ook worden deze vergoedingen altijd uitbetaald aan belanghebbenden zelf.
De overgang naar deze nieuwe regels en de samenloop van verschillende jaren kunnen leiden tot vragen. Hier vindt u enkele antwoorden op veel gestelde vragen.
Proceskosten bezwaarfase
-
De hoogte van de proceskostenvergoeding voor een WOZ-dienstverlener (in de wet: beroepsmatig verleende rechtsbijstand) was per 1 januari 2024 nog maar 25% van het bedrag uit het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Vanwege het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024 blijft het tot dan toe geldende lagere tarief voor de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase in belasting- en premiezaken buiten toepassing. Daarop is de WOZ-vermenigvuldigingsfactor in 2025 aangepast van 25% naar 12,5%.
Dat betekent dat na dit arrest voor toekenning van proceskostenvergoeding in de bezwaarfase 12,5% genomen moet worden van het "hoge tarief" uit het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Bron:
Artikel 30a lid 1 Wet WOZ
Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, onderdeel B2 onder 2.
Rekenvoorbeeld bezwaarfase 2026
2 punten vanwege 1 bezwaarschrift + 1 hoorzitting
2 x € 666 x 0,125 = € 166,50
Proceskosten beroepsfase
-
Voor beroepen tegen een uitspraak op bezwaar die is gedaan in 2023 geldt de oude regeling. In 2023 was er geen WOZ-vermenigvuldigingsfactor.
-
Voor een bezwaar tegen de WOZ-beschikking 2023 geldt de oude regeling en dus nog niet de WOZ-factor van 0,25. Wel zorgt het arrest uit 2024 ervoor dat een hoger bedrag per punt geldt voor de bezwaarfase.
Voor het toepassen van de vermenigvuldigingsfactor is het moment van instellen van de proceshandeling bepalend. In 2023 was er nog geen WOZ-vermenigvuldigingsfactor. In 2024 was de factor 0,25 en sinds 2025 is de factor 0,125.
In een lopende beroepsprocedure over belastingjaar 2023 geldt voor het bezwaar ingesteld in 2023 dus nog de oude regeling zonder factor. In een lopende beroepsprocedure over belastingjaar 2024 geldt voor het bezwaar ingesteld in 2024 nog de factor van 0,25. Het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024 zorgt ervoor dat voor alle jaren een hoger bedrag per punt geldt voor de bezwaarfase.
Voor de hoogte van het bedrag per punt is het moment van de uitspraak bepalend, niet het moment van het instellen van de proceshandeling. Ook als de hoorzitting in 2025 plaatsvond, geldt het tarief van 2026 als in 2026 uitspraak is gedaan.
-
De datum van de uitspraak op bezwaar in 2024 maakt dat de nieuwe regeling voor proceskostenvergoeding van toepassing is en de WOZ-vermenigvuldigingsfactor toegepast wordt in beroep.
In 2024 was de factor 0,25 en vanaf 2025 is de factor 0,125 voor een inhoudelijk gegrond beroep. Bij een gegrond beroep op formele gronden is de factor 0,10.
Voor de hoogte van het bedrag per punt is het moment van de uitspraak van de rechter bepalend. Als een rechter in 2026 uitspraak doet, geldt het bedrag per punt uit 2026 (in beroep: € 934).
-
Het moment van het instellen van het rechtsmiddel is bepalend voor de regeling voor proceskostenvergoeding. Als op verzoek een oude WOZ-beschikking (belastingjaar 2023 of eerder) na 1 januari 2024 wordt verstrekt aan een nieuwe - of medebelanghebbende, geldt de nieuwe regeling voor proceskostenvergoeding. Dit betekent dat ook voor de bezwaarfase de WOZ-vermenigvuldigingsfactor wordt toegepast.
Uitbetaling proceskosten
-
Per 1 januari 2024 betaalt de gemeente de proceskostenvergoeding altijd aan de belanghebbende, ongeacht welke regeling voor de hoogte van de vergoeding geldt. Die belanghebbende is het bedrag verschuldigd aan de WOZ-dienstverlener. De belanghebbende is een overeenkomst aangegaan en heeft voor de dienstverlening een machtiging getekend.
-
Nee, dat kan niet. De Wet WOZ bepaalt dat vorderingen tot uitbetaling van deze vergoedingen niet vatbaar zijn voor vervreemding of verpanding.
Er is geen overgangsrecht opgenomen zodat de bepalingen van toepassing zijn op alle uitbetalingen van vergoedingen die worden gedaan sinds 1 januari 2024. Dus ook als vóór 2024 een cessie met een gemachtigde is afgesproken (een afspraak dat de proceskostenvergoeding aan de gemachtigde toekomt), wordt de uitbetaling op de bankrekening van belanghebbende gedaan. De belanghebbende maakt dit bedrag zelf aan de gemachtigde over.
Bron: artikel 30a lid 5 Wet WOZ.
Hof ’s-Hertogenbosch 22 mei 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1730
-
Vaak zal dit het rekeningnummer zijn waarmee de belanghebbende belasting aan de gemeente betaalt. Als geen rekeningnummer bij de gemeente bekend is, vraagt de gemeente het rekeningnummer bij de belanghebbende op.
-
Hoewel iemand zelf een overeenkomst is aangegaan met een WOZ-dienstverlener, vindt de Waarderingskamer het zorgvuldig als de gemeente inwoners er duidelijk op wijst dat, vanwege deze nieuwe regels, de proceskostenvergoeding nu op hun eigen rekening wordt uitbetaald en dat deze kosten verschuldigd zijn aan de WOZ-dienstverlener. Wanneer de gemeente de uitspraak op het bezwaar niet alleen verstuurt aan de gemachtigde maar ook direct naar de belanghebbende, dan kan dit ook benoemd worden in de uitspraak op het bezwaar.
Uitleg over de nieuwe regels voor het uitbetalen van proceskosten maakt onderdeel uit van de algemene informatie over bezwaar tegen de WOZ-beschikkingen op de website van de gemeente. Als de communicatie rondom een specifiek WOZ-bezwaar uitsluitend tot de gemachtigde is gericht, dringt de Waarderingskamer er met klem op aan dat belanghebbende wel wordt geïnformeerd over de achtergrond van de betaling en de verplichtingen tot de WOZ-dienstverlener waarmee diegene een overeenkomst is aangegaan.
-
Formeel is dit niet verboden. Toch is het niet wenselijk om van deze mogelijkheid gebruik te maken, omdat dit mogelijk de belanghebbende in de problemen brengt, wanneer deze de WOZ-dienstverlener moet betalen.
Andere kostenvergoedingen
-
Ja. Soms kan iemand vanwege de lange duur van een bestuursrechtelijke procedure aanspraak maken op een immateriële schadevergoeding. Tot 2024 gold voor WOZ-zaken een immateriële schadevergoeding als de bezwaar- en beroepsprocedure samen langer dan twee jaar duurden, ter hoogte van € 500 per half jaar termijnoverschrijving.
Deze regeling is op twee manieren aangescherpt. De Wet WOZ bepaalt sinds 2024 dat de immateriële schadevergoeding nog maar € 50 per half jaar overschrijding van die termijn is in WOZ-zaken. Per 2026 geldt dit bedrag ook voor andere bestuursrechtelijke zaken.
Het arrest van de Hoge Raad uit 2024 bepaalt verder dat hiervan enkel sprake kan zijn als het financiële belang hoger is dan € 1000 én de redelijke termijn van twee jaar met meer dan 12 maanden is overschreden. De meeste WOZ-zaken komen na dit arrest niet meer in aanmerking voor immateriële schadevergoeding.
Bron: artikel 30a lid 3 Wet WOZ.
Hoge Raad 16 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853
-
Nee. De Wet WOZ wijzigt de hoogte van de vergoeding voor taxatierapporten niet. Wel gaat rechters hier sinds 2025 anders mee om.
Tot eind 2025 gold de Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven voor de vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, met een standaard van twee uur à € 53 per uur. De Hoge Raad oordeelt dat deze richtlijn rechters niet bindt en de rechter ook niet hoeft te motiveren waarom men van die richtlijn afwijkt. De richtlijn is daarom ingetrokken.
Hoewel het wenselijk is om in de vergoeding voor WOZ-taxatierapporten uniformiteit te hebben, laat de praktijk zeer grote verschillen zien in de kwaliteit van (geautomatiseerde) ‘taxatierapporten’ en in de tijd die redelijkerwijs nodig is voor het opstellen daarvan.
De wijze van totstandkoming en de inhoud van taxatierapporten laten zulke grote verschillen zien dat geen nieuw algemeen geldend uitgangspunt voor de tijdsbesteding kan worden bepaald. Er kunnen minimumeisen worden gesteld aan de kwaliteit van een WOZ-taxatierapport om als deskundigenverslag te gelden.
Bron:
Hoge Raad 30 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:661
Overige aandachtspunten interactie
Informatiebeschikking
Een juiste registratie van de objectkenmerken is van belang voor zowel de gemeente als voor belanghebbenden.
Tegengesteld belang in WOZ-zaken
De Waarderingskamer heeft ter ondersteuning een stappenplan bij tegengesteld belang.